Einführung in den Begriff

Voorafgaande opmerkingen 1

a) Er wordt wel gezegd dat de (mathematische / theoretische) fysica zuivere wiskunde zou zijn, maar dat klopt niet, zij verklaart begrippen als massa, kracht, beweging e.d., die in de wiskunde niet voorkomen. Daarom is ook niet iedere vergelijking die naar wiskundige wetten toegestaan zou zijn, in de mathematische mechanica zinvol. Omgekeerd geldt het vaak eerst bestaande vergelijkingen te verklaren, hun een betekenis te geven (wie zou bijvoorbeeld, zonder voorafgaande toelichting, weten welke betekenis de beroemde vergelijking e=mc2 impliceert?).

b) Evenzo kan men ook in de wiskunde zeggen dat zij wel degelijk over bepaalde wiskundige begrippen handelt; ook in de wiskunde wordt bij een bewijs niet willekeurig omgevormd, maar wordt uit de miljoenen mogelijkheden juist die gekozen die zinvol is binnen het kader van het te bewijzen doel.

Deze overwegingen blijken echter niet uit het bewijs zelf, wat verklaart waarom het vaak gezegd wordt dat het iets anders is een bewijs te lezen, het te begrijpen of er zelf op te komen. (Hierbij vindt men trouwens veel verdiepende overwegingen in Ludwig Wittgensteins “Bemerkungen über die Grundlagen der Mathematik”, stw 506.)

c) Formele logici beweren ten slotte dat wetenschappelijke systemen zich laten indelen in de onbewezen & onbewijsbare axioma’s en de daaruit door tautologische omvormingen gewonnen “afgeleide” stellingen. Daarbij worden ook de daarbij toegepaste omvormingsregels van de formele logica consequent zelf weer als onbewezen & onbewijsbare axioma’s beschouwd.

Hoewel gedachten van dit type in boeken over formele logica en wetenschapstheorie te vinden zijn en ook zeker vanuit de filosofie hun weg vinden naar de feuilletons en de rechtvaardiging van allerhande sceptische en relativistische tijdgeest, wordt de “normale” bedrijfsvoering van de wetenschappen erdoor niet echt geraakt.

Want het werk zelf van de domste en bekrompenste wetenschapper bestaat nu eenmaal (voor zover ik weet) niet daaruit dat hij zich willekeurige axioma’s bedenkt en deze dan weer willekeurig omvormt.

Wat doet men dus eigenlijk, wanneer men als wetenschapper een wetenschappelijke theorie bouwt? Waarnaar zoekt men, wanneer men een verklaring zoekt? Wat is een goed begrip, een bevredigend axioma? Dit te verhelderen was ooit een van de hoofdbekommernissen van de klassieke filosofie, van Aristoteles tot Hegel.


Voorafgaande opmerkingen 2

Wetenschap doorloopt idealtypisch de volgende fasen (ik zie hier onder meer af van eventuele voorwetenschappelijke fasen); dit kan zowel binnen de theorievorming van één wetenschapper worden doorlopen als op vergelijkbare wijze in de geschiedenis van de afzonderlijke wetenschappen zelf worden nagegaan.

Daarbij zijn de elementen van de telkens eerdere fase steeds ook, veranderd door de erbijgekomen elementen van de latere fasen, in de latere fasen aanwezig:

Aan het begin wordt eenvoudig zoveel mogelijk informatie verzameld; men denke hierbij aan de berichten van reizigers in de geografie en etnologie, aan het verzamelen van diverse planten en dieren in de zoölogie en botanie e.d.

Is er genoeg materiaal voorhanden, dan wordt begonnen het materiaal te ordenen. Daarbij valt te constateren dat met toenemende kennis de ordening van zeer uiterlijke criteria (kleur, geur, aantal afzonderlijke delen e.d.) naar steeds passender/immanentere criteria opschuift (zo wordt tegenwoordig in de biologie het planten- en dierenrijk ingedeeld naar de verwantschap van het DNA).

Deze vooruitgang in de steeds adequatere indeling wordt veroorzaakt door de derde stap: een theoretische doordringing van het wetenschapsgebied. Met de toenemende theoretische doordringing kunnen steeds adequatere indelingen worden doorgevoerd. Bij de theoretische doordringing wordt het vaak als doel gezien om door te dringen tot die begrippen, axioma’s en wetten waaruit men het overige kan afleiden (als ideaal wordt hierbij meestal de wiskunde gezien, van de natuurwetenschappen dienovereenkomstig de mechanica).

Het komt er hierbij dus op aan het aangetroffen materiaal zo te ordenen, dat zich zoveel mogelijk verschijnselen met zo weinig mogelijk aannames/axioma’s/wetten (hier dus gebruikt in de zin van “niet verder afleidbaar”) laten verklaren.

De beginstellingen van de betreffende wetenschap zijn dus niet willekeurig gekozen, maar moeten de volheid van het onderwerp waarover zij handelen (Eng. “topic”) zoveel mogelijk in zich geconcentreerd bevatten. Alleen zo laat zich later ook het wetenschapsgebouw door de zogenaamde goocheltruc weer eruit trekken. Axioma’s en wetten zijn daarom ook het eindproduct van een wetenschappelijke activiteit en niet haar begin.


Waarom spreekt Hegel nu van begrippen in plaats van beginstellingen (axioma’s)?

Heel eenvoudig: de beginstellingen handelen nu eenmaal (op zijn minst) over subjecten waaraan predicaten worden toegeschreven. Ook deze beginstellingen zijn dus samengesteld.

Het werkelijke begin zijn daarom de subjecten van de zin (of is dat weer alleen ons bekrompen Europese denken en zou een Navajo-indiaan (Sapir/Whorf) zeggen: de predicaten? Om het even, dat speelt voor de volgende overweging in ieder geval geen rol).

Het subject van de zin heeft de eigenschappen die het dan in de zin worden toegeschreven, ja het heeft waarschijnlijk nog meer eigenschappen. De zin moet de voor het subject wezenlijke eigenschappen uitspreken, waaruit zich de andere zoveel mogelijk laten afleiden, heeft daarbij dus het begrip als maat (meer over de verhouding van begrip tot zin in Hegels leer van het oordeel (“Urteil”) en in het goede commentaar daarbij van Heinrich Güßbacher “Hegels Psychologie der Intelligenz”).

Wanneer blijkt dat één zin daarvoor niet volstaat (en dat is doorgaans

  • ik ken geen uitzonderingen - het geval), dan gebeurt het eenvoudig in meerdere zinnen. De zinnen moeten daarbij overeenkomstig hun logische verhouding tot een systeem worden geordend (dit is de overgang bij Hegel van de leer van het oordeel naar de leer van de syllogisme).

Ook zuiver fenomenologisch gezien blijkt, wanneer men de afzonderlijke wetenschappen bekijkt, dat deze zich elk voordoen als verklaringen van hun voorwerpen (in het volgende steeds in de ruimere zin gebruikt, dus begrippen), waarin op hun beurt de afzonderlijke begrippen die tot het onderwerp behoren, in een systeem worden ingeordend.

De hoofdvraag bestaat daarom eerst en vooral daarin, de passende begrippen en hun bepalingen (dus de zin/zinnen die het wezenlijke over het voorwerp zeggen) te vinden, wat vanzelfsprekend met elkaar samenhangt, zoals we nog zullen zien.

Wat is dus een begrip en hoe bepaal ik het?

Uit het tot dusver gezegde blijkt wel al dat hier niet gedacht wordt aan

a) een (willekeurige) definitie/afbakening,

dus niet zoiets als:

“De mens is een tweebenig wezen zonder veren” (zo een oude Griekse zogenaamde filosoof, waarop Diogenes hem een geplukte kip zou hebben gepresenteerd)

en daarom is ook

b) de voorstelling van het algemene, zoals men die kent uit de formele logica en de verzamelingenleer, waarbij simpelweg een algemene noemer door (willekeurige!) abstractie (abstrahere = Lat. wegtrekken, dus weglaten) wordt verkregen, weinig behulpzaam.

Weliswaar kan men beide zeker ook in het begrip terugvinden als men wil, maar het is de willekeur/de arbitraire aard die hier stoort. Een wetenschapper wil immers niet zomaar als een kunstenaar (en ook of die werkelijk zo willekeurig werkt is zeer de vraag; als hij dat doet, dan toch vermoedelijk met reden) een willekeurig, hem belangrijk lijkend aspect uitwerken, maar juist die bepaling vinden die aan het voorwerp aangepast is.

De maatstaf voor de juistheid van een wetenschappelijke bepaling/ theorie blijft nog steeds de overeenstemming met haar voorwerp; zij moet dus aan dit voorwerp aangepast zijn (dat onderscheidt normaliter een wetenschappelijke theorie van science fiction).

Wanneer men de tot dusver geschetste voorstellingen van het begrip bekijkt, dan hebben zij toch allemaal één ding gemeen: dat bij het begrip een grens hoort, die bepaalt wat tot het begrip behoort en wat erbuiten blijft, het dus “bepaalt” (ik gebruik het woord bepalen in het volgende in deze zin).

Al Spinoza zegt “Omnis determinatio est negatio” (bepalen is ontkennen), dus uitsluiten, aangeven wat de zaak die bepaald moet worden niet is.

De eerste stap in de begripsvorming is dus zich met de grens van het begrip bezig te houden. Dus met grensgevallen.

Wat past er nog net in? Wat past er net niet meer in? Op welke punten ben ik onzeker?

Voorbeeld stoel:

Behoort de eenpotige barkruk nog tot het begrip? Een driepotige kruk? De fauteuil? De sta-hulp van de verkoopster? De bank? De tafel? De zithouding? (methodische aanwijzing: probeer een zo groot mogelijke verscheidenheid van kwalitatief verschillende, opbrengstrijke varianten te vinden)

Voorbeeld schoen:

Behoort een laars nog tot het begrip? Een kous? Een sandaal? Blootsvoets (=geen schoen)? De eeltlaag?

De mooie disjuncte (i.d.z.v. “elkaar wederzijds uitsluitende”) scheiding in A en NON-A van de formele logica grijpt immers pas aan, wanneer ik deze grens heb. En het helpt me trouwens ook hier niet om te weten dat A = NON NON-A is, dat de schoen dus niet de niet-schoen is, omdat ik mij hier bekommer om de bepaalde negatie, de bepaalde grens, die juist niet formeel maar inhoudelijk bepaald is (het helpt mij weinig als ik van de schoen weet dat hij geen niet-schoen is, maar overeenkomstig ook concreet weinig, dat hij bijvoorbeeld geen vogel, geen kleur, geen staat, geen liefde, geen computer enz. als willekeurige voorbeelden van een niet-schoen, is).

In de tweede stap (de volgorde van stap 1 en stap 2 is naar mijn ervaring om het even, zolang men na verloop van tijd beide doet. In de praktijk zijn er sowieso vloeiende overgangen, ze hangen, zoals straks zal blijken, met elkaar samen):

Men zoeke zo veel mogelijk kwalitatief verschillende verschijningsvormen van het begrip. Hiervoor heb ik de grens uit stap 1 nodig, omgekeerd vind ik hierbij grensmateriaal voor stap 1; het gaat bij deze twee stappen in de praktijk dus om een benaderingsprocedure, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de benadering van Gerhard Kleining (de grondlegger van het “kwalitatieve sociaal onderzoek” in Hamburg, met beroep op Hegel trouwens, zie zijn grondslagpaper online: [externe link], deze stap lijkt sowieso op een van de methodische aanbevelingen van Kleining):

Voorbeeld stoel:

Bureaustoel, keukenstoel, zitgelegenheden uit andere tijden/andere volken, enz.

Voorbeeld schoen:

Balletschoenen, snavelschoenen, bergschoenen, slangenbeetwerende schoenen, veiligheidsschoenen uit de industrie/van de bouw, halfhoge schoenen, bedelaarsschoenen, edele schoenen van fijn leer, papieren schoenen, babyschoenen, en natuurlijk weer schoenen uit andere tijden en van andere volken.

Duidelijk is daarbij wel voor iedereen dat het begrip enerzijds de grens ten opzichte van het andere ondubbelzinnig (?) moet bepalen (stap 1), anderzijds moet het passen bij alle verschijningsvormen die eronder vallen (stap 2).

Het komt hier op de finesses aan, maar daarover later.

Er zij in ieder geval nu al gezegd dat het er in stap 2 op aankomt zo veel mogelijk van de verschillende verschijningen uit het begrip te verklaren. Omgekeerd zorgen de verschillende verschijningen dus voor een “voller” begrip.

Het begrip moet hier als het ware het zaad zijn waaruit de verschijningsvormen moeten ontspruiten. Diejenigen verschijningsvormen die we uit het begrip nog kunnen verklaren, noemen we “ bijzonderheden” , diegene die niet meer af te leiden zijn “eenmaligheden”. Het is duidelijk dat zo veel mogelijk “bijzonderheden” uit het begrip afgeleid moeten kunnen worden.

Dit is een belangrijk verschil met de voorstelling van de eenvoudige “abstracte” algemeenheid, waarbij vanuit een abstractie nooit meer naar iets concreters teruggeschreden kan worden. (In de verzamelingenleer heeft het onderscheid tussen algemeen en bijzonder daarom geen zin, er zijn alleen verzameling en elementen (en willekeurig veel deelverzamelingen daartussen)).

In een derde stap gaat het er dan om de delen die tot het voorwerp behoren te onderzoeken, en eveneens hun betekenis voor het voorwerp, hun betrekking tot het begrip te vinden.

Voorbeeld schoen: zool, bovenwerk, veter

Voorbeeld stoel: leuning, zitvlak, poten

Ook dit deel gebeurt in werkelijkheid organisch samen met de andere stappen; zo hoort vaak bij de grensbepaling de verwijzing naar de delen erbij (zo wordt een stoel onder meer door zijn leuning van een kruk onderscheiden).

Heeft het voorwerp een geschiedenis (individueel en/of als soort) (en dat is praktisch altijd het geval), dan moet deze in een laatste stap eveneens op het begrip betrokken worden en er moet geprobeerd worden deze eveneens uit het begrip af te leiden.

(Dit toon ik later uitvoeriger aan de hand van de voorbeelden)


Goed, laten we na het algemene overzicht nu dieper ingaan:

Naar de eerste stap, de grensbepaling:

in ons onderzoek vinden we de relatieve rechtvaardiging van de grensbepaling. Waarheid/zekerheid is altijd relatief ten opzichte van haar gronden. Welke gronden heb ik voor de grensbepaling?

Nemen we het voorbeeld stoel:

Het gaat kennelijk om een zitgelegenheid. Dat is alvast de grove onderscheiding, die we steeds fijner kunnen maken. We hebben, in de eenvoudige gevallen al door onze taal, een grove voorstelling van wat een woord betekent, we kunnen het alleen vaak niet expliciet uitspreken. Bij de grensbepaling trekken we eerst zeer ruime grenzen, waarbinnen we er zeker van zijn dat ons voorwerp erin bevat is (maar misschien ook nog iets anders) en trekken vandaaruit de cirkels met elke ronde nauwer, tot we een precies passend “maatpak” voor ons hebben.

De stoel dient dus het zitten (in het algemeen is het een eenvoudige truc om bij door mensen voortgebrachte zaken aan hun doel te denken, dat heeft bijna altijd iets met hun begrip te maken. Daarom lenen deze dingen zich bijzonder goed als voorbeelden, omdat de begripsvorming, althans bij eenvoudige, vertrouwde voorwerpen, hier zo gemakkelijk is).

Daarmee hebben we de stoel in eerste benadering bepaald naar zijn doel als “zitgelegenheid” en daarmee al eens tegenover andere zaken afgegrensd.

Natuurlijk is deze bepaling nog vrij ruim en moet later nauwer worden getrokken. In het begin is het aan te bevelen de grenzen zo ruim te trekken dat ook de twijfelgevallen er nog in zitten (maar anderzijds duidelijk uit te sluiten gevallen, (staat, vogel etc.), niet). Nauwer trekken kan men later altijd nog. Vooral ontstaat het nauwer trekken in de loop van het verdere onderzoek bijna vanzelf.

Om hier te laten zien hoe stap 2 en 3 hierbij meespelen: we vragen ons nu bij ieder gevonden tussenresultaat af hoe we het op de telkens andere vragen kunnen toepassen, dus in dit geval wat de bepaling van een stoel als “zitgelegenheid” te maken heeft met de vele verschillende stoelsoorten (hoe kunnen deze uit het begrip verklaard worden) en wat de delen van de stoel met het begrip te maken hebben.

Laten we eens kijken wat er al allemaal uit onze bepaling “zitgelegenheid” volgt:

De stoel is als (menselijke) zitgelegenheid medebepaald door het menselijk lichaam (lengte van de benen, plaats van de knieën, grootte van het zitvlak enz.) (van de zwaartekracht zie ik hier af, aangezien we alleen aardse stoelen beschouwen, in de ruimte zou het misschien anders zijn). Vandaar dus kinderstoelen, babystoelen, (beperkt, wat alleen de grootte betreft:) poppenstoeltjes.

Aan de andere kant komt het aan op de zithouding/zitgewoonte; andere volken dan de Europeanen zitten bijvoorbeeld anders, bijvoorbeeld veel lager (en dienovereenkomstig hebben zij ofwel geen stoelen ofwel juist veel lagere stoelen).

Laten we het zitten nu nader onderzoeken, waarvoor de stoel ons dus een gelegenheid wil geven (we zouden natuurlijk ook naar de logica kunnen overstappen en de “gelegenheid” onderzoeken, wat echter in het kader van ons doel minder veelbelovend lijkt).

Zo blijkt het zitten kennelijk een lichaamshouding tussen liggen en staan te zijn. De genoemde lichaamshoudingen hebben bij deze bepaling van het zitten (! zoals u ziet komen er steeds nieuwe bepalingen bij) gemeen dat ze alle plaatsgebonden zijn (in tegenstelling tot lopen, rennen enz.).

Zitten heeft daarbij een tussenpositie tussen het ontspannen liggen (alle activiteiten die mij spontaan bij het liggen te binnen schieten hebben daarmee te maken) en het staan, dat eerder op de grens naar het (zo dadelijk) voortbewegen ligt (bijvoorbeeld “in de rij staan” of in de bus/trein: “wilt u zitten?” - “Nee, ik moet er zo dadelijk uit” enz.).

Het gewicht van het lichaam rust daarbij op het zitvlak, de benen worden ontlast. Zo verklaart zich het zitvlak van de stoel.

Uit de behoefte om ook het bovenlichaam te ontlasten, verklaart zich op zijn beurt de stoelleuning ter ondersteuning van het bovenlichaam; uit de behoefte de armen te ontlasten, eventuele armleuningen.

[Hier werden dus uit het begrip de afzonderlijke delen verklaard]

Aangezien de benen het meeste werk moeten verrichten (zij dragen het hele gewicht), is bij hen de behoefte aan ontlasting het grootst, bij het bovenlichaam op de tweede plaats; stoelleuningen zijn daarom niet altijd aanwezig, en armleuningen komen nog zeldzamer voor.

[Zelfs het ontbreken van onbelangrijke delen liet zich dus verklaren]

Waarom zit de mens? Het is in zijn tussenpositie een uitrusten (vergelijkbaar met liggen), dat echter het bovenlichaam zijn volle beweeglijkheid laat (en ook de onderbenen en voeten zijn ten minste beperkt beweeglijk) en concentratie althans niet onmogelijk maakt (dat laatste eerder richting staan).

Ik ga hier volgens mij al veel te ver in detail; ik kom op het belangrijke: uit de verschillende doeleinden die met zitten worden nagestreefd, laten zich nu een groot deel van de verschillende zitgelegenheden verklaren:

Zo bestaat er de uitkijkpost op de scheepsmast, de sta-hulp van de verkoopster, de zitplaats van de bestuurder, de bureaustoel, de tv-fauteuil en de troon, om maar een paar bijzonder mooie voorbeelden te noemen.

Ik kom tot het laatste, temporele aspect. Het volgt al uit het voorgaande dat, naarmate de activiteiten die er zijn zich meer differentiëren, er (in ieder geval potentieel) steeds meer verschillende zitgelegenheden kunnen zijn.

Naargelang de behoeften van de maatschappij en haar leden worden deze verschillende doeleinden door verschillende middelen (in dit geval: stoelen) vervuld.

Wanneer ik het tot dusver over de stoel gezegde vergelijk met de vier oorzaken van Aristoteles, dan heb ik hoofdzakelijk de finale/ doeloorzaak aangesproken, waarop ook Aristoteles bijzondere waarde legt (wat geen wonder is, aangezien Hegel zich sterk op Aristoteles beroept).

Aristoteles’ formele oorzaak kwam eveneens voor, maar begrond/ bemiddeld door het doel (de vorm van de stoel is via het doel “zitgelegenheid” bemiddeld door het menselijk lichaam, de houding bij het zitten).

Wat nog ontbreekt zijn de materiële oorzaak en de werkoorzaak.

Inderdaad komen juist bij door mensen voortgebracht dingen deze beide er nog onvermijdelijk bij: welk doel gerealiseerd wordt, hangt af van de maatschappelijke behoeften; hoe het doel gerealiseerd wordt hangt bovendien af van de maatschappelijke mogelijkheden: welke materialen (materiële oorzaak), technieken, arbeidsgereedschap, ervaringen/ vaardigheden (dit laatste behoort allemaal tot de werkoorzaak) zijn aanwezig?

Ook daaruit verklaren zich de verschillende stoelvormen.

Nog een paar opmerkingen:

De Aziatische culturen hebben in plaats van de stoel (of aanvullend) vooral zittechnieken voortgebracht. Ook dit is een mogelijkheid, die ons als door techniek gewende Europeanen misschien niet meteen te binnen schiet, maar die zich uit het begrip (zitgelegenheid) moeiteloos laat afleiden.

Hoe zou de volgende ronde in de begripsbepaling er wel uitzien?

De opwerping over de zittechnieken toont dat we nog steeds niet verhelderd hebben waarom we ons niet eenvoudig op de grond zetten, of op een rotsrichel. Zo blijven ook tot nu toe de vier poten van de stoel onverklaard.

Ik wil u hier niet te veel belasten, maar een nieuwe ronde zou bijvoorbeeld van de zitgelegenheid een zitmeubel kunnen maken.

Het zou dan het begrip meubel zijn, als kennelijk zich aandienende overkoepelende term, dat verhelderd moet worden; hier zou zeker het onderzoek van de vorming van meubels tegenover bijvoorbeeld ingebouwde delen aan de orde komen (we zouden hier de grens van het meubel zoeken en één van haar grenzen - vaak zeer behulpzaam, omdat meestal althans uit boeken vindbaar - is haar grens=ontstaan in de tijd, vergelijk het begin van Hegels Logica).

Denkt men aan het uitgangspunt terug, dan blijft er misschien een teleurstelling: het blijft nog steeds de vraag “is een fauteuil/een krukje nu een stoel of niet?”. Het antwoord luidt komischerwijs als volgt: het is een definitiekwestie.

Ter rechtvaardiging nog eens een teruggrijpen op Aristoteles:

Aristoteles gaf bekend als regel voor de vorming van een begrip dat men het overkoepelende begrip en daarbij de “differentia specifica” (het specifieke/bepaalde/kenmerkende onderscheid) moest vinden.

Deze uitspraak werd vaak geciteerd, maar hoe hij (niet willekeurig) gehanteerd moet worden is vaak vergeten. Wat bedoeld wordt heb ik proberen te tonen:

De begripsvorming gaat via de grens zelf naar haar overkoepelende begrippen (waarmee we beginnen) en haar onderverdelingen verder. Belangrijk is dat men daarbij een gevoel krijgt voor de relevantie/ belangrijkheid/gerechtvaardigdheid/onderbouwing van de onderverdelingen.

Wanneer men dat weet, is het uiteindelijk bijna om het even of men besluit het algemene zitmeubel (dus inclusief krukje en sofa) stoel te noemen, of alleen het klassieke, volgens materiaal-economie vervaardigde zitmeubel voor één persoon uit hout.

Belangrijk lijkt mij hier alleen dat de bepaling niet in tegenspraak komt met het algemene taalgebruik (men zal daarom fauteuil en sofa eerder niet stoel noemen), tenzij men belangrijke redenen daarvoor heeft (zo wordt de walvis, in tegenstelling tot het taalgebruik, door biologen niet tot de vissen gerekend).


Kleine slotopmerkingen in de vroege ochtend:

Ik heb al aangegeven dat een goede manier om de grens te vinden erin bestaat om in de geschiedenis het ontstaan van het voorwerp (voor zover het een geschiedenis heeft, natuurlijk) te bekijken.

Een andere, uiteraard verwante methode voor de eerste stap bestaat erin in etymologische woordenboeken (Duden dl. 7 “Herkunftswörterbuch”, Grimms Wörterbuch der deutschen Sprache, Adelung) de geschiedenis van het begrip na te slaan.

Het begrip moet, met beperkingen, ook zijn geschiedenis verklaren. In ieder geval vindt men juist bij alledaagse en abstracte woorden goed materiaal voor de eerste grensbepaling/begripsvorming (juist bij deze woorden is het materiaal in etymologische woordenboeken doorgaans beter dan dat in moderne lexica, die helaas geheel zonder kennis van het begrip gemaakt zijn).

Bij de tweede stap zal men, juist bij niet-triviale voorwerpen, vaak ook de verschillende theorieën over een voorwerp verzamelen en dan (zie de olifant-afbeelding in het pluralisme-artikel) proberen deze allemaal te verklaren.

In ieder geval leveren deze eveneens goed materiaal (de verzameling van de bestaande theorieën mag echter de verzameling van de verschillende verschijningsvormen niet vervangen.

Zo’n verzameling zou misschien de eerste keer vóór de theorieverzameling moeten gebeuren en dan na een zo mogelijk kwalitatief zo divers mogelijke theorielectuur herhaald worden).

Tot slot wil ik nog terzijde opmerken dat ik mij heb ingespannen om datgene wat ik in dit verband bij Marx rationeel/zinvol vind, mee op te nemen; het is in deze vorm heel wel met Hegel verenigbaar.

Overigens ging het hier niet om een “systematisch overzicht” van Hegels begrip van het begrip; ik wilde eerder een voorstelling/ aanschouwing van het begrip aanreiken - dat lukt meestal het beste met voorbeeld en toepassing voor de praktijk.

Het natuurlijke vervolg zou nu zijn om het in het artikel beschrevene toe te passen op het begrip van het begrip zelf. Dus zo mogelijk verschillende begrippen te vormen bijvoorbeeld en hun bijzonderheden te onderzoeken. Sommige dingen die ik in het artikel heb beschreven gelden voor begrippen uit andere gebieden niet of in gewijzigde vorm (Hegel onderscheidt bijvoorbeeld in de Grote Logica logica, natuur en geestes- (incl. maatschappij-)wetenschappen).

De gevonden verscheidenheid zou dan niet alleen een verdere en gedifferentieerdere begrip van het begrip bieden, maar de geschetste begripsvorming zou daarbij zelf onderbouwd worden.

De voorgestelde begripsvorming laat zich dus op zichzelf toepassen (wat merkwaardig genoeg bij concepten over dit onderwerp helemaal niet vanzelfsprekend is) en blijkt buitengewoon flexibel en ondogmatisch te zijn.

Hegels werk maakt aanspraak op zo’n systematische uiteenzetting te zijn (voor het begrip levert dat bijvoorbeeld het Logica-deel van zijn werk).

Dat wordt hem vaak als “dogmatisch” verweten.

In werkelijkheid is het naar mijn overtuiging precies omgekeerd:

Omdat alles op zijn plaats geordend en onderbouwd is, ontstaat juist de vrijheid om telkens de gronden te bekijken en te beoordelen. Men kan het hele Hegel-werk tegen de draad in lezen en bij iedere bepaling, iedere overgang de kwaliteit (in de omgangstaal-zin) van de onderbouwing zien. Hegel toont telkens: meer weet ik er niet over te zeggen.

Het gaat dus juist niet om een affirmatief werk (ook al kan men het zo lezen, deze wijze van lezen brengt het kennisbelang niets op en ik beweer dat een zuiver affirmatieve lezing ook aan enkele grondbedoelingen van Hegel zelf tegenstrijdig is), maar het vereist juist het telkens zelf doordenken van de gedachten. Doet men dit (in plaats van zijn systeem eenvoudig als uiterlijke verzekeringen op te vatten), dan weet men daarmee ook waar de problemen liggen, de sterke en zwakke punten enz.

Voor onze huidige tijd, die zo’n cultuur kennelijk niet meer zo gewend is, zou zeker een expliciete uiteenzetting van de problemen wenselijk zijn, wat ook algemeen in de tendens van Hegel ligt: al het impliciete expliciet te maken.

Zie ook: