Franz Bopp (1791–1867) legde de grondslag voor de vergelijkende taalwetenschap. Vanaf 1821 doceerde hij oosterse literatuur in Berlijn, vanaf 1825 Sanskriet.

Hegel noemt hem „mijn geleerde vriend en collega". Voor de colleges over de filosofie van de geschiedenis en over de religie was Bopps werk de bron van wat Hegel over India wist — een voorbeeld van hoe rechtstreeks zijn wereldgeschiedenis afhing van de stand van het onderzoek in zijn tijd.

Copyright © by hegel.net, Kai Froeb